Poëzie uit de Lage Landen

ONDERWEG

 

Fileleed, ik reed en gleed

de horizon tegemoet,

Opgeslokt door de fijne streep

waarmee de einder speelt;

 

En uitgespuwd aan de achterkant,

Herrijst de zon, nooit opgebrand.

 

Erheen, op witte lijntjes schuiven,

Een paddentrek op wielen, meegaand,

zachtjes zwevend, instinct snuiven,

 

Van mensen, ingeblikt voor later,

nu nog op weg achter de lokroep,

Die altijd weerom keert, van de troep

op zoek naar een eind voor dit begin.